Bij de aanschaf van een lamp is er nog een keuze uit zuinige- en minder zuinige spaarlampen. Let bij de aankoop op de lichtopbrengst per watt. Dat wordt uitgedrukt in lumen. Zo zal een gloeilamp van vijftien watt een energiezuinige lamp moeten vervangen met ongeveer honderd tot honderd en vijftig lumen, vijfentwintig watt tweehonderd tot driehonderd lumen, veertig watt vierhonderd tot vijfhonderd lumen, zestig watt zevenhonderd tot achthonderd en vijftig lumen, vijf en zeventig watt negenhonderd tot elfhonderd lumen en honderd watt meer dan dertienhonderd lumen. Wil je een energiezuinige lamp, let dan op de lichtopbrengst (in lumen) per watt. Als je het aantal lumen deelt door het wattage krijg je de lichtopbrengst per watt.
Een spaarlamp is duurder in aanschaf dan een gloeilamp, maar een spaarlamp gaat veel langer mee, waardoor de kosten per branduur ongeveer hetzelfde zijn. De spaarlamp brandt zeker zes keer langer dan een gloeilamp. Je doet dus veel langer met een spaarlamp dan met een gloeilamp. Wat betreft het aantal branduren zou je tien gloeilampen moeten kopen in plaats van één spaarlamp.
Bovendien bespaar je met een spaarlamp fors op je energiekosten. Als een gemiddeld huishouden alle lampen zou vervangen door spaarlampen, dan bespaar je zestig euro per jaar. Het vaak aan- en uitdoen van spaarlampen kost geen extra elektriciteit, maar het slijt wel meer. Niet alle spaarlampen zijn meteen op volle sterkte. Bij sommige lampen duurt dat langer dan bij de ander. Een richtlijn is, dat alle lampen binnen een minuur op minstens zestig procent van hun lichtsterkte zijn. Door alert te zijn op het gebruik van licht kun je veel kosten besparen.
